De filosofie van het hindoeisme

 


Het woord hindoeïsme verwijst naar de religie of levenswijze van de hindoes, zo genoemd naar de rivier de Indus. Hindoes zelf spreken liever van: “de eeuwige leer”. De hindoes zijn afstammelingen van rondtrekkende nomadenstammen. Fiere en hooghartige krijgers, afkomstig uit de omgeving van het huidige Iran die zo’n 4000 jaar geleden, via de bergpassen van het huidige Afghanistan en Pakistan, India binnentrokken. Eerst het stroomgebied van de rivier de Indus, het Vijfstromenland (Punjab). Van daaruit verder naar het Oosten (Gangesvlakte) en het Zuiden (Deccan). Van de oorspronkelijke bewoners van de Indus-vallei, namen zij de verering voor de godinnen van de vruchtbaarheid en de fallus-cultus over.


 


Kastenstelsel


 


Het kastenstelsel is een systeem, waarin de verschillende lagen van de bevolking strikt van elkaar gescheiden leven. De sociale omgang met elkaar vindt hoofdzakelijk binnen de eigen kaste plaats. Het systeem is ingevoerd door de priesters (brahmanen); in eerste instantie om onderscheid te maken tussen de oorspronkelijke bevolking en de Ariërs (edelen), zoals de hindoes zichzelf noemden.  Naarmate de offerdiensten een steeds grotere plaats gingen innemen in het leven van de hindoes, werd ook de positie van de priesters belangrijker. Mede omdat zij als enigen op de hoogte waren van de voorschriften voor de offerrituelen, zoals beschreven in een van de Veda’s, (Samaveda).


Alleen degenen van de drie hogere kasten kennen een tweede geboorte, d.w.z dat zij op achtjarige leeftijd ingewijd worden in het hindoe-geloof. Binnen de vier kasten bestaan weer subkasten, talloze onderverdelingen, welke niet nader genoemd worden. De vier kasten zijn van hoog naar laag:


1. De priesters waren belast met de Veda-studie, godsdienstonderwijs en uitoefening van offerrituelen. 


2. De krijgers  (de adel en vorsten) hadden als taak het in stand houden en beschermen van de maatschappelijke orde.


3. De boeren warenn verantwoordelijk voor de veeteelt en de akkerbouw.


4. De arbeiders en handwerklieden waren belast met de lagere beroepen, welke ook weer onderverdeeld zijn. Zo hebben wevers een hogere status dan pottenbakkers en pottenbakkers een hogere dan de vissers, leerbewerkers en wassers.


   Daarnaast zijn er de kastelozen; zij die of nooit tot een kaste zijn toegelaten of zij die wegens een ernstig vergrijp, verstoten zijn uit een van de bovengenoemde kasten. Hoewel recente gebeurtenissen - zoals het optreden van Ghandi die zich het lot van de kastelozen ofwel paria’s aantrok - het systeem hebben doen wankelen, is het nooit geheel verdwenen uit de Indiase samenleving. Alle andere sociale indelingen, naar streek, taal, volk e.d. zijn voor gelovige hindoes ondergeschikt aan de indeling van dit eeuwenoude kastenstelsel. Bovendien is de gelovige hindoe van mening dat het kastenstelsel direct afkomstig is van de goden. Een van de oudste hindoeteksten, de Rgveda, maakt melding van het kastenstelsel als zijnde ingesteld door de goden. Hoewel het kastenstelsel van overheidswege officieel is afgeschaft, komen we het bij diverse lagen van de Indiase bevolking, nog steeds tegen.


Bronnen


Wat wij weten van het hindoeïsme, lezen wij in de verschillende heilige geschriften, waarvan ik er enkele wil noemen. De oudste zijn de Veda’s, daarna komen de Upanisads, en de Bhagavad Gita, alledrie zijn in het Sanskriet te boek gesteld, waarvan er inmiddels de nodige vertaald zijn Toen de Ariërs zich in India vestigden, brachten de Arische priesters (brahmanen) de Vedische geschriften mee. Over het algemeen worden de Veda’s onderverdeeld in vier werken, een voor ieder van de vier priesters die gezamenlijk belast waren met de offercultus:


1. Rgveda (verzen)


2. Samaveda (liederen)


3.Yajurveda (offerspreuken)


4. Atharvaveda (magische formules)


Van de diverse lagen van de Indiase bevolking mogen alleen de leden van de hoogste drie kasten de Veda’s lezen en bestuderen. De filosofie van het hindoeisme begint met de Upanisads. Toch komen we in de oudste bron de Rgveda al filosofisch getinte teksten tegen zoals de scheppingshymne:


 


Toen er nog geen zijn en geen niet-zijn was.


Was er geen uitspansel en geen hemel.


Werd er wel iets verborgen? Waar en door wie dan?


Was er water? Onmetelijk diep?


 


Toen was er geen dood, geen onsterfelijkheid,


er was geen dag en geen nacht te bekennen.


Het Ene ademde, zonder wind en op eigen kracht.


En verder dan dat was er helemaal niets.


 


In den beginne was er een en al duisternis,


water, onherkenbaar was dit alles.


Door de leegte omhuld was de kiem van het bestaan,


tot dat Ene werd geboren door de kracht van de hitte.


 


In den beginne kwam ook de begeerte,


het eerste zaadje van de geest,


Al denkende zochten en vonden de wijzen


het Zijn in het Niet-zijn in hun hart. ...[1]


 


De filosofie van de Upanisads


 


De letterlijke betekenis van het woord Upanisad is: aan iemands voeten gaan zitten. Het is de leerling die zich neer (ni) zet (sad), nabij (upa) de leraar (goeroe) die hij vereert en door wie hij onderwezen wil worden: “Leer mij het te begrijpen”, heer. De Upanisads, 108 in totaal, worden als de voltooiing van de Veda beschouwd. Ze zijn in diverse perioden ontstaan, waarvan de oudste teruggaan tot 1000 v.Chr. en de jongste tot 300 v.Chr.


 De meeste teksten zijn geschreven in dialoogvorm, waarbij er filosofische gesprekken gevoerd worden tussen leraar en leerling, vader en zoon en man en vrouw:


 


Yajnavalkya had twee vrouwen, Maitreyi en Katyani. Maitreyi kende de Veda, Katyani niet, zij wist alleen wat vrouwen horen te weten. Toen Yajnavalkya op het punt stond een kluizenaarsleven te beginnen, zei hij tot Maitreyi: “Laat ik, voordat ik het huis verlaat, een regeling treffen tussen jou en Katyani.”


 


Toen vroeg Maytreyi of zij onsterfelijk zou zijn als zij alle rijkdom van de wereld zou bezitten. Het antwoord was nee, “geen onsterfelijkheid, maar een leven als dat van een rijke wordt je deel.” Waarna Maitreyi zei: “Wat heb ik er dan aan, als ik er niet onsterfelijk door wordt? Vertel mij alles wat u weet heer.”


 


En Yajnavalkya sprak: “met deze woorden ben je me nog meer lief dan je al was, kom, ga zitten, ik zal het je uitleggen:


 


Niet omwille van de echtgenoot is de echtgenoot geliefd,


maar omwille van het zelf (atman) is de echtgenoot geliefd.


Niet omwille van de echtgenote is de echtgenote geliefd,


maar omwille van het zelf is de echtgenote geliefd.


Niet omwille van de zonen zijn de zonen geliefd,


maar omwille van het zelf zijn de zonen geliefd. ...” [2]


 


 


 De teksten zijn veelal anoniem en over het algemeen mystiek van aard.


   Het centrale thema in de Upanisads is het zelf. Atman als het in verband wordt gebracht met de microkosmos en brahman als het in verband wordt gebracht met de macrokosmos. Op de vraag wat het zelf is luidt het antwoord: dat ben je zelf. Het zelf is dat wat je niet ziet, maar wat wel aanwezig is. Als het ware Zijn is het altijd hetzelfde: atman is de eeuwige ziel, de waarheid, in ieder levend mens hetzelfde. Het is het innerlijk licht dat in het hart van de mensen woont, waaruit alle levenskrachten, de adem, de zintuiglijke waarneming, de taal en het denken, voortkomen. Atman is de bron van al het weten (veda) dat in- en uitgeademd wordt, dat als zodanig geïdentificeerd wordt met ohm.


   Ohm is het wapen van de goden, waarmee zij ten strijde trokken tegen de demonen. Zowel de goden als de demonen zijn de kinderen van de god Bradsjapati, de schepper die uit de waarheid, het brahman, is voortgekomen. Van de goden kwam het goede, het aangename, het prettige; van de demonen het slechte, het onaangename, het onprettige. Reden waarom wij door een en hetzelfde zintuig, zowel het aangename als het onaangename ervaren. Want ohm is de adem die bij het spreken in- en uitgeademd wordt. Wie het ergens mee eens is zegt ohm (amen), zoals bij iedere recitatie uit de Veda’s.


   Atman is het leven zelf. Wanneer zij vertrekt (het lichaam verlaat), hetzij door het oog, hetzij door de schedel, hetzij door een ander lichaamsdeel, dan neemt zij het leven met zich mee. Na de dood is er geen bewustzijn meer, want: ... wanneer er een zekere tweeheid is, dan ruikt de een de ander, dan ziet de een de ander, dan hoort de een de ander, dan spreekt de een tot de ander, dan denkt de een de ander. Maar wanneer voor iemand alles brahnman is geworden, waarmee en wie zou hij dan ruiken, waarmee en wie zou hij dan zien, waarmee en wie zou hij dan horen, waarmee en tot wie zou hij spreken, waarmee en aan wie zou hij denken, waarmee en wie zou hij kennen? Bedoeld wordt dat de dood geen vat heeft op het leven zelf (atman) dat, na de dood van het lichaam, voortleeft, hetzij in een ander aards bestaan: sommigen gaan baarmoeders in, tot belichaming in een lichaam, hetzij als brahman.


   Zoals het atman de essentie is van het mens-zijn, is het brahman de essentie van al wat er is. Hoe wist het brahman dat al wat er is, uit hem is voortgekomen? Het antwoord dat gegeven wordt  luidt: in den beginne was het heelal, het brahman. Toen het brahman wist wat het was’nl. het brahman, ontstond van daaruit het heelal. Brahman is het heelal en het heelal is brahman. Brahman stijgt boven alles uit, ook boven het weten. Het is het meest ultieme, waarover geen vragen meer worden gesteld. Brahman worden, is een worden met de waarheid, want brahman is de waarheid zelf.


   Waar Brahman geïdentificeerd wordt met atman, wordt het gelijk gesteld aan het denken: brahman is het denken (het verstand). Brahman worden, betekent dat kenner en dat wat gekend kan worden samenvallen, als het ware één worden, waardoor alle kennis overbodig wordt. Als zodanig is brahman niet met het verstand te vatten en niet te definiëren: brahman is noch het een, noch het ander. brahman is niet dit en niet dat. Omdat het onbegrenst is, is het niet te begrenzen. Omdat het niet is verwoest is, is het onverwoestbaar. Omdat het zichzelf niet bindt, is het niet te bindent. Omdat het geen letsel wordt toegebracht, lijdt het niet. Weten wie je bent leidt tot de fel begeerde verlossing.

Ja het brahman is dit heelal. ... Die atman in mijn hart, bestaat uit denken (verstand intelligentie), mijn adem is zijn lichaam, mijn vorm is zijn licht, mijn voorstellingen daarvan zijn geen illusie, maar de waarheid zelf. Die atman in mijn hart is kleiner dan een rijstekorrel of een mosterdzaad of een gerstekorrel of de kern daarvan; die atman in mijn hart is groter dan de aarde, groter dan de hemel en groter dan al deze werelden. Aan die atman in mijn hart behoren alle daden (karma), de verlangens daartoe en alle waarnemingen. [Het ziet zichzelf niet als iets goddelijks.] Die atman is brahman, dat zal ik worden als ik van hier (het aardse leven) afscheid genomen heb, daarover bestaat geen twijfel.



1 Gedichte aus dem Rig Veda

2 Upanischaden, Philipp Reclam